De schuilplaats
De schuilplaats is in een leegstaand gedeelte van het bedrijf van Otto Frank. Terwijl in het voorste gedeelte het bedrijf gewoon doorgaat, zitten de onderduikers in het achterste gedeelte verstopt, in het achterhuis.
Anne schrijft:
'Het achterhuis is als schuilplaats ideaal, hoewel vochtig en scheefgetrokken, zal men in heel Amsterdam, ja in heel Holland misschien, voor schuilers niet meer zoiets gerieflijks ingericht hebben.'
Van schuilplaats tot museum
De geschiedenis van het Anne Frank Huis
Meer
Het bedrijf aan de Prinsengracht 263 ligt in een buurt waar veel kleine bedrijfjes gevestigd zijn. Links naast het achterhuis is een theehandel gevestigd, rechts een meubelmakerij. Dat is gunstig voor de onderduikers, want het valt dan niet op als in het weekend de schoorsteen rookt.
Redelijk groot
De schuilplaats aan de Prinsengracht 263 is redelijk groot. Er is ruimte voor twee gezinnen. Dat is uitzonderlijk: ouders en kinderen, die onderduiken, worden meestal van elkaar gescheiden. De meeste onderduikplekken zijn kleine ruimtes in bedompte kelders of op stoffige zolders. Alleen onderduikers op het platteland komen soms buiten, als de kust veilig is.
De schuilplaats bestaat uit verschillende ruimtes, en dat is uitzonderlijk.
Een boekenkast verbergt de deur
Al snel wordt de toegang tot het achterhuis verborgen achter een draaikast. Vader Voskuijl, de opzichter van het magazijn, timmert de draaikast. 'Onze schuilplaats is nu pas een echte schuilplaats geworden. Mijnheer Kugler vond het namelijk beter om voor onze toegangsdeur een kast te plaatsen (...), maar dan natuurlijk een kast die draaibaar is en die als een deur opengaat. Mijnheer Voskuijl heeft het geval getimmerd. (We hebben mijnheer Voskuijl over de zeven schuilers ingelicht en hij is een en al hulpvaardigheid.),' noteert Anne Frank op 21 augustus 1942 in haar dagboek. De onderduikers zijn op dat moment nog met z’n zevenen. Fritz Pfeffer duikt pas op 16 november onder in het achterhuis.